Verderop onder een houten luifel staat hij: de griezel. Zijn lange gedaante is gestoken in een zwarte jas, het nog zwartere haar hangt in slierten langs zijn magere, lijkbleke gezicht. Hoewel hij niet in mijn richting kijkt heb ik het gevoel dat hij me geen seconde uit het oog verliest. Ik blijf voor de ingang van de club staan en roep een taxi op. Mijn watch zegt dat er over twee minuten een komt. Het weer past perfect bij mijn stemming: de kille motregen maakt de avond nog triester dan hij al was. Vol goede moed was ik die avond naar het ruimtelab, de placet to be, gegaan, vastbesloten om serieus werk te gaan maken van Tyron, de jongen waar ik al tijden een crush op heb. Na een half uur kwam hij binnen, ik liep meteen op hem af in volle wapenuitrusting, een te kort jurkje met te veel decolleté. Aan zijn blik zag ik dat hij dat wel kon waarderen, we waren net gezellig aan het praten toen die trut van een Helga erbij kwam staan. Met haar lange benen, haar perfecte slanke lijf, haar glanzende donkere huid, zwoele oogopslag en geweldige lippen. Haar strakke jumpsuit liet niets te raden over, eigenlijk heel vulgair en goedkoop. Ik zag details die ik absoluut niet wilde zien, daar dacht Tyron duidelijk anders over. Hij had al snel alleen nog maar oog voor haar. Na vijf minuten ben ik weggegaan om van een afstandje toe te kijken. Dat had ik beter niet kunnen doen, na een aantal deprimerende taferelen vertrokken Tyron en Helga, ongetwijfeld om hun onzedelijke handelingen ergens anders verhevigd voort te zetten. Ik keek om mij heen of ik iemand zag die me kon troosten, maar mijn stemming was weg. Toen zag ik hem lopen, of eigenlijk alleen zijn bleke gezicht, de rest was amper zichtbaar in het halfdonker. Als een geest waadde hij door de massa, om zich heen kijkend alsof hij op zoek was naar iemand. Tot hij mij zag, zijn twee helblauwe ogen staarden mij aan, meteen kreeg ik een ongemakkelijk gevoel. Daarna liep hij naar de bar, daar deed hij alsof hij ergens anders naar keek, maar ondertussen verloor hij mij geen seconde uit het oog. Ik probeerde me niets van hem aan te trekken en praatte wat met mensen die ik kende. Net toen ik in gesprek was met een meisje dat bij mij op de universiteit zat voelde ik een tik tegen mijn schouder, ik draaide mij om, daar stond hij, hoog boven mij uit torenend.
‘Sorry,’ zei hij met een akelig krakende stem terwijl hij mij strak in de ogen keek en liep verder.
‘Wat een griezel,’ zei Sanjo, het meisje waar ik mee praatte.
‘Ja,’ zei ik.
Een half uur later ging ik naar buiten en zag hem staan.
De taxiglijder stopt voor mij, ik druk mijn watch tegen het contact, de deur klapt open. Ik stap in en geef het adres van de universiteit op. Dertig centimeter boven het wegdek glijdt de glijder weg, als ik langs de bleke man ga, zie ik zijn blik strak op mij gericht. Weer krijg ik een akelig gevoel, ik kijk niet om maar weet zeker dat hij me nakijkt.
Pas als ik op mijn kamer ben in het grote slaapgebouw op de campus, ontspan ik enigszins. Wat een waardeloze avond. Hoewel het nog niet erg laat is besluit ik naar bed te gaan. Ik bekijk mezelf nog even voor de spiegel in de badkamer, ik zie er toch niet slecht uit. Ik heb een groot bos rood haar dat een wit gezicht met sproeten omlijst. Groot ben ik niet en ook niet superslank, maar mijn lijf heeft rondingen op de juiste plekken, meestal ben ik wel tevreden over mijn uiterlijk. Vooral omdat het op Philo’s Planeet best wel speciaal is. De meeste mensen hier zijn getint en hebben bruine ogen. Dat heb ik niet, mijn ogen zijn heel bijzonder. Mijn ene oog is blauw het andere is voor de helft blauw en de andere helft is bruin. Ik trek een hemdje aan en ga naar bed. Het duurt een flinke tijd voor ik in een onrustige slaap val, mijn oude nachtmerrie komt weer eens langs. Om mij heen suizen ijzeren staven, er wordt geschreeuwd, enorme handen grijpen mij vast, ik hoor een akelige gil en voel een hand op mijn mond. Vreemd, die hand is er anders niet en dan besef ik dat dat gedeelte geen droom is, ik open mijn ogen en kijk recht in het gezicht van de griezel. Mijn hart slaat drie slagen over. Zijn hand zit als een klem om mijn mond en drukt mijn hoofd in het kussen. Hij houdt een vinger voor zijn lippen.
‘Sst, geen kik,’ krast hij.
Wat? Hoe? Hij haalt vanonder zijn jas een pulspistool tevoorschijn en richt die op mijn voorhoofd.
‘Een geluid en het is je laatste, begrepen?’ Langzaam haalt hij zijn hand van mijn mond. Doodsbang blijf ik doodstil liggen.
‘Draai je op je buik,’ zegt hij.
‘Ik moet wat? Waarom? Hij maakt een ongeduldig gebaar met zijn pistool. Trillend doe ik wat hij zegt.
Ik voel zijn hand aan mijn broekje en doe mijn ogen dicht. Mijn hele lijf zweet. Hij trekt het naar beneden tot halverwege mijn billen. Dan stopt hij. Mijn tattoo? Een vijfbladig klavertje dat ik mijn hele leven al op mijn kont heb. Niemand weet hoe ik eraan kom.
Hij laat mijn broekje los. ‘Oké,’ zegt hij en stapt achteruit. Opgelucht trek ik mijn broekje omhoog. Het ging hem om die tattoo? Hoe wist hij dat? En waarom wou hij die zien? Ik draai me langzaam om en ga zitten. Hij zegt niets.
‘Wat moet jij hier?’ vraag ik.
‘Stil,’ gebiedt hij.
Hij gaat op een van de stoelen bij mijn tafel zitten. Het lijkt of hij nadenkt.
‘Hoe heet je?’ vraagt hij.
‘Ginger en jij?’ Hij schudt zijn hoofd. Nu ik hem wat beter bekijk valt mij op dat hij nog relatief jong is, hoogstens een paar jaar ouder dan ikzelf. Zijn gezicht is mager met een dunne neus, diepliggende ogen en spitse kin. Hij heeft een brede mond.
‘Jij gaat met mij mee.’
‘Waar naartoe?’
Weer schudt hij zijn hoofd. ‘Opstaan en kleed je aan.’
Ik raap al mijn moed bijeen. ‘Nee, eerst wil ik weten waar we naartoe gaan.’
Hij kijkt me uitdrukkingloos aan, zijn hand gaat onder zijn jas en komt tevoorschijn met een lang mes. Razendsnel staat hij op, doet twee grote stappen en tilt met de punt van het mes mijn kin omhoog.
‘Jij gaat mee, heelhuids of beschadigd, je mag het zelf weten,’ kraakt hij. Zijn ogen hebben minder uitdrukking dan die van een slang.
‘G goed,’ zeg ik, mijn stem begint ook al te kraken.
Ik pak een broek en een shirt, hij kijkt nauwlettend toe. Als ik ben aangekleed duwt hij me de gang op en steekt het pulspistool weg.
Hij slaat een arm om mijn schouder als we door de gang lopen, ik voel de punt van het mes in mijn zij. Aan het eind van de gang staat mevrouw Sumaru. De alom gevreesde zeer strenge hospita van het slaapgebouw. Als ze ons ziet trekt ze haar wenkbrauwen omhoog tot aan haar haarlijn. Zonder wat te zeggen wil de griezel langs haar lopen, maar dat lukt niet. Ze gaat pontificaal voor hem staan met de handen in de zij.
‘En wie ben jij?’
Hij kijkt haar aan met zijn kille blik. ‘Dat gaat u niet aan.’
‘Oh nee? Leuk vriendje heb je Ginger.’
‘Hij is mijn vriendje niet,’ mompel ik.
‘Nou de mijne ook niet. Wegwezen,’ zegt ze tegen de griezel en dan tegen mij, ‘En jij gaat met mij mee.’ Ik doe niets liever.
De griezel aarzelt.
‘Moet ik de beveiliging oproepen,’ zegt mevrouw Sumaru.
‘Niet nodig,’ zegt hij en draait zich naar mij. ‘Tot ziens.’ Hij laat me los en gaat ervandoor. Ik slaak een zucht van verlichting, die niet wordt opgemerkt door mevrouw Sumaru, ze kijkt de griezel na.
‘Je hebt wel eens leukere vriendjes gehad,’ zegt ze. ‘Kom mee.’
We lopen naar haar kantoor, een kamer met een groot bureau en veel donker hout. Ik neem plaats op de ongemakkelijke rechte houten stoel die voor haar bureau staat. Ze kijkt in de database.
‘Dit is de derde keer dat ik je met een jongen betrap. Je weet wat de consequenties zijn.’
Ja, ik moet hier weg, ik raak in paniek, ik heb absoluut geen idee waar ik dan naartoe moet. ‘Ik heb niets met hem gedaan,’ zeg ik. ‘Hij stond vanmorgen eh voor mijn deur. Hij wou dat ik met hem mee ging.’
‘En dat doe je zomaar?’
‘Ik was bang voor hem, ik was verstijfd van angst.’ Ik laat het mes maar even weg, mevrouw Sumaru houdt niet van dergelijke toestanden
‘Hmm, het was inderdaad een eng mannetje.’ Een eng mannetje van bijna twee meter. Ze kijkt me streng aan. ‘Kende je hem?’
‘Nee, ik heb hem gisteravond gezien in een club, hij moet me achterna zijn gegaan.’ Ik heb trouwens geen idee hoe hij dat geflikt heeft. Ik zie haar denken. Wel een minuut lang is het stil, ik wacht gespannen af.
‘Vanaf nu ben jij een heel braaf meisje.’
‘Ja, mevrouw Sumaru,’ zeg ik opgelucht. ‘De braafste die er is.’
Ze lacht. Ergens heb ik het idee dat ze mij wel mag. ‘Goed zo,’ zegt ze. ‘En ik zal eens uitzoeken hoe hij hier binnen kon komen en…’ Ze kijkt me streng aan. ‘En wanneer hij naar binnen is gegaan. Je kunt gaan.’
Ik ga rechtstreeks naar Tilda, mijn beste vriendin die op een verdieping boven mij woont. Ik vertel haar wat er is gebeurd.
‘En hij stond ineens naast je bed? Jakkes,’ zegt ze. ‘En je hebt geen idee wie hij is?’
‘Nee, maar wat ik nog het vreemdste vond, hij wist van die tattoo op mijn kont. Toen hij die had gezien moest ik met hem mee.’
‘Heel vreemd,’ zegt ze. ‘Wat nu?’
Ik heb geen idee, aan de ene kant hoop ik hem nooit meer te zien, aan de andere kant kan hij mij misschien vertellen hoe ik aan die tattoo kom en wie ik ben.
‘Je had die tattoo toch al toen ze jou in een tas in de ruimtehaven vonden?’
Ik knik, ik was pas een maand of zes. Mijn hele leven heb ik in een weeshuis gewoond, tot ik door middel van een prestatiebeurs hier op de universiteit kon studeren en wonen.
‘Je kan vannacht wel bij mij slapen,’ zegt Tilda.
Die avond ga ik naar mijn werk, ik heb een bijbaantje als serveerster in een restaurant. Om tien uur ben ik klaar. Buiten op straat zie ik hem niet. Ik kan een taxiglijder nemen maar dan ben ik de helft van mijn verdiensten van die avond kwijt. Het is een mooie avond en ik besluit te lopen. Mijn weg voert langs de rivier de Moss. Het is druk, stelletjes lopen rond of zitten op een van de vele terrasjes langs de rivier en ik loop hier alleen. Ik had hier graag met Tyron gelopen maar die heeft een slechte smaak. Dan denk ik weer aan de griezel, zou zo iemand ook een vriendin hebben? Ik kan me er niets bij voorstellen, wie zou in hemelsnaam op zo’n engerd vallen. En dan zie ik hem. Hij zit op een terras alleen aan een tafeltje en kijkt uit over de rivier. De meeste tafeltjes van het terras zijn bezet. Ik loop naar hem toe en ga aan zijn tafeltje zitten.
‘Dag Ginger,’ zegt hij zonder te kijken. Ik zeg niets. Hij draait zich naar mij toe. ‘Ik dacht al dat je nieuwsgierig zou zijn.’
‘Wie ben jij?’ zeg ik.
‘Hij glimlacht. ‘Het is niet de vraag wie ik ben, maar wie jij bent.’ Hij kijkt op de menukaart. ‘Wat wil je?’
‘Thee.’ Hij tikt het aan.
‘Nou wie ben ik dan?’
‘Dat is een lang verhaal,’ zegt hij.
‘Ik hoef nergens heen.’
‘Jawel, je moet met mij mee.’
‘Dat gaat niet gebeuren,’ zeg ik.
‘Mmm, weet je dat ik bijna honderdduizend lichtjaren heb gereisd om jou te vinden?’
Een serveerster brengt thee en bier. Honderdduizend lichtjaren, waar komt hij vandaan? En dat om mij te vinden?
‘Daar geloof ik niets van,’ zeg ik als de serveerster weer weg is.
Hij neemt een slokje bier en tuit zijn lippen. ‘Je bent hier niet geboren hè?’
‘Ik weet het niet.’
‘Weet je hoe je aan die tatoeage komt?’
‘Nee.’
‘Ik wel,’ zegt hij grijnzend. Dan word ik kwaad, hij zegt van alles te weten, maar wil niets zeggen en hij verwacht dat ik zomaar met hem meega, waar naartoe trouwens? Honderdduizend lichtjaren verderop misschien?
‘Vertel,’ zeg ik.
Hij lacht maar zegt niets.
‘Ik ga weg als je niets zegt.’
‘Dat doe je niet,’ zegt hij.
‘Hoezo niet?’
‘Ik laat je niet gaan.’
Ik pak mijn onaangeroerde kop thee en smijt het in zijn gezicht. Dan ga ik ervandoor. Achter mij hoor ik gevloek.
Hij komt niet achter mij aan, hijgend ren ik het terrein van de universiteit op en in een keer door naar Tilda. Als ze opendoet ziet ze meteen dat er iets aan de hand is.
‘Ginger, kom erin, wat is er gebeurd?’ Ik ga naar binnen en ga op haar bed zitten, ze gaat naast me zitten. Ik vertel wat ik die avond heb beleefd.
‘Wat een vreemde snuiter. Denk je dat hij echt weet wie jij bent of lult hij maar wat?’
‘Hij wist van de tattoo op mijn kont.’
‘Ja, maar waarom wil hij niets zeggen?’
‘Ik weet het niet.’ We praten nog lang maar komen niet verder.
Het duurt wel even voor ik in slaap val. Ik heb weer een nachtmerrie. Weer de grote handen, de ijzeren staven, gegil en geschreeuw, ik hoor iemand huilen.
‘Rustig maar Ginger,’ zegt een stem.
Als ik mijn ogen opendoe zit Tilda rechtop naast me en strijkt over mijn haar.
‘Je huilde in je slaap,’ zegt ze.
De nachtmerrie wordt steeds erger, komt vast door die griezel.
Een week lang blijf ik op de campus, ik meld me ziek van mijn werk. Ik slaap bij Tilda op de kamer. Na een week besluit ik weer naar mijn eigen kamer te gaan. Voor ik ga slapen schuif ik mijn bureau voor de deur, dan krijg ik een oproep op mijn watch. Het is Tilda.
‘Ginger, oh Ginger, ik kon er echt niets aan doen,’ snikt ze.
Niets aan doen, waar kon ze niets aan doen? Een hese krakende stem neemt het gesprek over. ‘Als je je vriendin nog levend wil zien kom je nu alleen naar de ruimtehaven.’
‘Maar hoe? Wat?’
‘Je hebt precies een uur.’ Dan wordt de verbinding verbroken. Ik bel meteen weer, maar er wordt geen contact gemaakt.
Ik grijp mijn jas, ren naar buiten en neem een taxiglijder naar de ruimtehaven. Die ligt buiten de stad. Het is er rustig als ik de hal binnenkom. De griezel staat naast de ingang van het haventerrein. Als ik dichterbij kom zie ik dat hij een paar rode vlekken op zijn gezicht heeft, vast nog van de thee. Goed voor hem.
‘Wat heb je met Tilda gedaan?’ zeg ik met verstikte stem.
‘Kalm maar,’ zegt hij. ‘Haar mankeert niets. Kom.’
‘Ik loop achter hem aan, we gaan naar buiten naar een ruimteschip. Hij laat een paneel zakken en we gaan naar binnen. Via een kleine gang komen we in de kombuis. Tilda zit geboeid op een stoel.
‘O Ginger, het spijt me echt,’ roept ze als ze mij ziet.
‘Maak haar los,’ zeg ik.’
Hij tikt op zijn watch en haar handboeien klikken open. Tilda staat op en we omhelzen elkaar.
‘Wat ontroerend,’ zegt hij met zijn pulspistool in de hand.
Ik haat hem met alles wat ik in mij heb. ‘Laat haar gaan,’ kan ik er nog net uitbrengen.
De griezel loopt naar Tilda en buigt voorover. ‘Je praat hier met niemand over, anders …’ Hij wijst met zijn pistool in mijn richting. De tranen lopen Tilda over de wangen. Ik omhels haar nog een keer en huilend gaat ze naar buiten. De griezel sluit meteen het paneel.
‘Kom,’ zegt hij, terwijl hij zijn pistool in zijn holster doet. We lopen naar de cockpit. Hij wijst op de stoel naast de zijne. ‘Maak je riemen vast.’
‘Waar gaan we naar toe?’
‘Dat vertel ik straks,’ zegt hij.
We stijgen op en schieten al snel door de dampkring. ‘Blijven zitten.’ zegt hij. ‘Ik schakel de wormgat zoekers in.’ Eigenlijk merk ik er weinig van, alleen worden de sterren vaag, tot alles een zwarte waas wordt. ‘Je kunt je riemen wel losmaken, ik heb de kunstmatige zwaartekracht al ingeschakeld.’
Hij ontdoet zichzelf ook van de riemen.
‘Moet jij niet sturen?’
‘Er valt niets te sturen, de route is van tevoren berekend vlak voor Ravan neem ik de besturing weer over. Maar dat is pas over zes weken.’
Zes weken, zes weken ben ik hier alleen met deze griezel. Ik loop achter hem aan. Hij gaat de kombuis in. ‘Wil je thee?’ vraagt hij.
‘Doe maar,’ zeg ik mat. Er staat een grote tafel in de kombuis, ik ga op een van de zes stoelen zitten.
Hij zet thee voor me neer. ‘Niet mee gooien hè.’ Grappig. Hij gaat tegenover me zitten.
‘Sorry,’ zegt hij. Ik had veel verwacht, maar geen excuses.
‘Dat meen je niet,’ zeg ik.
‘Jawel,’ zegt hij.
‘Nou, vertel op, wie ben ik,’ zeg ik.
‘Jij bent Prs Angel de Tragon.
‘Prs, wat een vreemde naam.’
‘Dat is geen naam dat is een afkorting.’
‘Van?’
‘Prinses.’
Ik open mijn mond, maar er komt niets uit, ik staar hem aan.
‘Je bent de dochter van keizer Grealish en keizerin Sifrona van het keizerrijk Tragonia op Ravan.
‘O,’ zeg ik. Dan is het een tijd stil. De griezel neemt een slok thee. ‘Hoe weet je dat?’
‘Vanwege je ogen en die tattoo. Ieder lid van de keizerlijke familie krijgt meteen na de geboorte zo’n tattoo.’
‘En wie ben jij?’
‘Ik ben Frisk et Sforistic.
‘Aha.’
‘Zeg maar Frisk.’ Eigenlijk prefereer ik griezel.
‘Maar eh als ik een prinses ben, hoe kom ik dan als zes maanden oude baby in een tas op een ruimtehaven 100 000 lichtjaren verderop.’
‘Je bent als baby ontvoerd.’
‘Waarom?’
‘Vanwege je ogen, op Ravan is de norm blauwe ogen. Nog nooit is er een keizer of keizerin geweest met een andere kleur dan blauw. En jij had een half bruin oog. Volgens sommigen gaf dit ongeluk. Je bent ontvoerd om te voorkomen dat je ooit keizerin wordt.’
‘Ze hadden me ook kunnen doden.’
‘Een baby doden geeft ook ongeluk.’
Bijgelovig stelletje daar op die planeet. Ik moet dit allemaal even laten bezinken. Ineens schiet mij een gedachte door het hoofd.
‘Als ik straks op Ravan ben dan zie ik mijn ouders eindelijk.’ Het gezicht van Frisk krijgt een pijnlijke uitdrukking. ‘Of niet?’
‘Bij jouw ontvoering is je moeder gedood en je vader is later overleden.’
‘O.’ Nu ben ik echt alleen op de wereld. Altijd heb ik gedacht dat mijn ouders misschien wel ergens… Nu is ook die hoop de grond ingeslagen. Ik voel me helemaal alleen en dan ook nog bij zo’n griezel in een ruimteschip. Ik begin te huilen, ik kan er niets aan doen, maar de tranen lopen in stromen over mijn wangen.
‘Waarom, waarom heb-b-b je je me dan mee meegenomen?’ snotter ik.
‘Jij bent de troonopvolger.’ Frisk staat op, loopt naar het aanrecht en komt terug met drie papieren servetten.
‘Ik word keizerin?’ vraag ik terwijl ik de tranen van mijn wangen veeg.
‘Ja eh, als je wilt.’
‘En mijn ogen dan?’ Ik snuit mijn neus.
‘De mensen die verantwoordelijk zijn voor jouw ontvoering zijn opgepakt, zo wisten we ook op welke planeet jij bent achtergelaten. Ik ben uitgezonden om je te zoeken.’
Hadden ze niet wat leukers kunnen sturen dan deze engerd? ‘Ben jij een soort detective of zo?’
Frisk schiet in de lach. Ineens ziet hij er heel anders uit, veel minder eng. ‘Eh nee, ik ben een van de weinigen op Ravan die een ruimteschip kan besturen.’
‘Wat vreemd.’
‘Nou eh op Ravan moeten ze niets van techniek hebben, ze leven nog als voor de stoomtijd en de uitvinding van het buskruit. Zo’n beetje als in de middeleeuwen op de oude Aarde.’
‘Met ridders en kastelen en zo.’
‘Zoiets ja.’
‘En jij dan?’
‘Mijn vader was een ruimtevaarder, hij bezocht Ravan en heeft mijn moeder daar ontmoet. Nou ja en toen werd ik geboren, maar na een tijdje ging het toch niet tussen hen en zijn ze gescheiden. Het ene jaar woonde ik bij mijn moeder het andere jaar op het ruimteschip van mijn vader.’
‘Je vader…’
‘Mijn vader is overleden door een ziekte die hij tijdens een bezoek aan een planeet heeft opgelopen. Ik heb dit ruimteschip geërfd.’
‘En je moeder?’
‘Die leeft nog,’ zegt hij.
De thee is lauw geworden, ik neem een grote slok en staar voor me uit. Ik ben doodmoe.
‘Zal ik je naar je hut brengen?’ vraagt Frisk.
‘Dat is goed.’
De hut is niet groot, een bed in een nis met daarboven kastjes. Een tafeltje met een stoel. Wel is er een ruimte met douche en wc.
‘In de douche zijn wel wat toiletspulletjes en in de kastjes wat kleren, zie maar even,’ zegt Frisk.
‘Oké,’ zeg ik, ik wil maar een ding, dat hij weggaat.
‘Welterusten,’ zegt hij en vertrekt.
Al snel val ik in slaap en droom niet eens.
Als ik de volgende morgen de kombuis in loop, zit Frisk al aan het ontbijt.
‘Goedemorgen,’ zegt hij verrast als hij mij ziet. Ik heb een jurkje gevonden in een kast, eigenlijk is het meer een rechte lap stof met korte mouwen en een ceintuur. Hij is groen met kleine gele en blauwe bloemetjes en valt net over de knie. ‘Staat je goed.’
Ik slik mijn ‘dank je’ in. ‘Dragen ze zulk soort kleren op Ravan?’
Hij lacht, dat staat hem echt niet slecht. ‘Ja en ook wel andere.’ Hij projecteert met zijn watch een 3D-filmpje op de tafel. Het is een filmpje van een soort ridder, hij zit op de rug van een tweepotig dier. Het dier loopt met grote stappen over de tafel dan staat hij stil en de ridder doet zijn vizier omhoog. Hij lacht in de camera.
Ik doe een stap naar voren. ‘Dat ben jij.’
Frisk doet zijn handen uiteen, kijkt hij nu olijk?
‘Ben jij een ridder?’
‘Ook.’
Ridder en ruimtevaarder wat een combinatie. En niet te vergeten griezel natuurlijk.
Na het ontbijt laat Frisk mij het ruimteschip zien. Er is een flinke vrachtruimte, zijn vader verdiende het meeste met vrachtjes brengen van de ene planeet naar de ander. Er zijn een aantal hutten voor passagiers die zien er net zo uit als de mijne. Eentje is wat groter en heeft een tweepersoonsbed. Hij laat me ook zijn eigen hut zien, aarzelend stap ik naar binnen. Deze hut is de grootste van allemaal met een groot tweepersoonsbed, waar ik geen aandacht aan schenk. Een flinke tafel met vier stoelen, een comfortabele bank. Een scherm waarop een ommuurde stad is geprojecteerd, boven de stad torent een grote rots uit met daar weer bovenop een indrukwekkend kasteel. De torens zijn robuust, maar toch ook sierlijk. Een enorm poortgebouw beschermt de toegang tot het kasteel.
‘Daar ben jij geboren,’ zegt Frisk.
Ik ben onder de indruk, ben ik nu straks de baas over dit alles? En wil ik dat wel? Met een knoop in mijn maag bekijk ik de stad en het kasteel.
Er is ook nog een ruimte om films te zien en te gamen en er is een fitnessruimte met wat apparaten en ook zwaarden, zowel van metaal als van hout.
‘Gebruik je die om te oefenen?’
‘Ja,’ zegt hij en pakt een houten zwaard. Hij loopt naar een machine die bestaat uit een paal op wieltjes met aan beide zijden armen met handen, in elke hand heeft de machine een houten zwaard. Frisk drukt op zijn watch, meteen gaan de armen omhoog. Frisk stapt naar voren en de machine geeft hem een klap, althans dat wil hij, maar Frisk weert de klap razendsnel af, dan slaat de andere arm. Weer weert hij de klap af. De machine bestookt Frisk nu van alle kanten, maar hij is ongelooflijk snel, hij weert alles af. Ineens steekt hij zijn zwaard naar voren en raakt een rode punt op de paal, de machine valt stil.
‘Goh, wat ben jij snel,’ zeg ik en hoor tot mijn afschuw bewondering in mijn stem.
Frisk grinnikt. ‘Beetje oefenen,’ zegt hij met veel valse bescheidenheid. ‘Wil je het ook eens proberen?’
En mezelf voor gek zetten en onder de blauwe plekken komen zeker. ‘Nee, dank je,’ zeg ik.
‘Toch zou het niet verkeerd zijn als je een zwaard kunt hanteren, ik leer het je wel.’
‘Mmm,’ zeg ik.
Die middag sleept Frisk me mee naar de oefenruimte. ‘Je kan je tijd hier maar beter nuttig maken,’ zegt hij. Hij geeft mij een houten zwaard en pakt er zelf ook een.
‘Alles gaat om winnen,’ doceert hij. ‘Bij een zwaardgevecht wil je niet tweede worden. Alles is toegestaan om te winnen. Niet altijd wint de beste zwaardvechter, maar hoe beter je bent hoe meer kans je hebt om te winnen.’
Hij leert mij hoe ik slagen moet afweren, hoe ik het zwaard moet houden om harde slagen af te laten glijden, hoe ik moet staan om slagen te kunnen ontwijken. We oefenen elke dag twee keer. Eigenlijk vind ik het wel leuk en de hele dag films kijken en gamen is ook niet alles.
Frisk valt me mee. Van de kille griezel is na een paar dagen weinig over. Hij is, of doet, best aardig, is altijd vriendelijk en houdt tot mijn opluchting gepaste afstand. Al is hij wel irritant goed in alles. Hij kan goed koken, is sterk, heeft een gespierd lichaam, best wel mooi eigenlijk, is razendsnel, kan goed boogschieten, dat heeft hij mij laten zien in de laadruimte en heeft een goede smaak in films en series, die we regelmatig samen bekijken.
‘Waarom was jij eigenlijk eerst zo’n akelige griezel?’ vraag ik hem op een avond bij het eten nadat ik een slokje heb genomen van mijn derde glaasje wijn.
Frisk schiet in de lach, wat hem goed staat, heel goed. ‘Griezel?’
‘Ja, ik vond je een griezel met dat bleke hoofd, die lange zwarte jas en die starende ogen.’
‘Vind je dat nu nog?’
Zit hij nu te flirten? ‘Eh nee,’ ik krijg toch geen kleur wel? ‘Je deed ook zo akelig, bij mij naar binnensluipen, mij met een pistool en mes bedreigen, mij ontvoeren en Tilda trouwens ook.’
‘Misschien had ik dat wat anders moeten aanpakken.’
Dat weet ik wel zeker.
‘Waarom heb je niet gewoon verteld dat ik een prinses was?’
‘Had je dat geloofd?’
Ik lach. ‘Natuurlijk.’
‘Eigenlijk had ik nooit verwacht jou te vinden, ik schrok zo toen ik jou zag dat ik niet goed meer kon denken. Ik dacht alleen maar, zij moet mee.’
‘Hoe kwam je in mijn kamer?’
‘Ik had een tracker op je geplant toen ik je aanstootte, de beveiliging en de sloten van de universiteit waren een lachertje.’
‘En Tilda?’
‘Ik zag jullie een paar keer samen lopen op de campus, ik dacht zij is een hele goede vriendin van haar dus…’
Die avond lig ik nog lang wakker. Ik denk aan hoe raar het leven kan lopen en wat me te wachten staat als keizerin en ook wel aan Frisk.
Bij het oefenen de volgende morgen gaat Frisk zonder zwaard voor mij staan en zegt dat ik hem moet proberen te raken. Hij ontwijkt gemakkelijk mijn eerste aarzelende slag.
‘Kan je niet beter?’ grijnst hij. Ik sla nu sneller. Weer mis ik sla weer en weer en weer, hij ontwijkt alles met gemak en met een arrogante grijns op zijn gezicht, ik word steeds kwader en probeer alles, maar het lukt niet. Dan stapt hij naar voren en schopt mijn voeten onder me vandaan, ik val hard op mijn kont. Hij schopt het zwaard uit mijn hand en zet zijn voet op mijn borst. Ik lig machteloos op de grond en voel me zwaar vernederd.
De volgende dag doet hij wat schijnbewegingen voor, waar ik volledig in trap. Dan doet hij weer hetzelfde als gisteren. Ik maak schijnbewegingen, onverwachte stoten, alles mis. Hij dringt me zonder zwaard achteruit tot ik tegen de muur sta. Uit frustratie haal ik woest uit en mis weer, Frisk doet een stap naar voren. Ik sta tegen de muur mijn houten zwaard zit tussen ons ingeklemd. Spottend kijkt Frisk op mij neer. Ik kijk naar zijn lippen en ga op mijn tenen staan. Zijn blik verandert hij buigt zich voorover, onze lippen raken elkaar en ik kus hem, mijn tong glijdt bij hem naar binnen. Ik laat mij langzaam plat op mijn voeten zakken. Frisk buigt nog iets verder voorover, mijn zwaard komt vrij, ik laat het tussen zijn benen zakken en ram het met twee handen omhoog. Zijn ogen puilen uit en hij zakt door zijn benen. Kokhalzend zit hij voorovergebogen op zijn knieën met beide handen in zijn kruis. Ik probeer tevergeefs geen medelijden met hem te hebben.
‘Wat ben jij een rotzak,’ kreunt hij.
‘Alles is toegestaan om te winnen,’ zeg ik. Na een tijdje gaat het wat beter en help ik hem overeind.
Die avond klop ik op zijn deur. Ik heb alleen een hemdje en een broekje aan.
Frisk kijkt eerst verbaasd als hij mij ziet, maar dan begint hij te grijnzen.
‘Ik eh, ik eh,’ zeg ik.
‘Wou je even zien wat je hebt aangericht?’
Ik krijg een kleur. ‘Eh ja,’ zeg ik.
Hij laat mij binnen, na een tijdje constateer ik dat alles nog prima functioneert.
Na zes weken naderen we Ravan. Mijn relatie met Frisk is wel ietsje anders dan aan het begin van de reis. De laatste weken heb ik niet meer in mijn eigen bed geslapen en geen enkele nachtmerrie meer gehad. Ik kan er niets aan doen, maar ik ben verliefd op hem geworden en ik denk hij ook op mij. Al kijkt hij soms naar me met een wat vreemde blik in zijn ogen die ik niet helemaal kan plaatsen, alsof iets hem dwarszit. Ik heb gevraagd of hij een vriendin heeft, maar die heeft hij niet.
We landen op de enige ruimtehaven van Ravan. Buiten het onze is er geen enkel ander ruimteschip. Frisk trekt een zwarte strakke broek aan en een zwarte ruime wambuis, een soort kruising tussen een trui en een overhemd, er zit een capuchon aan. Ik trek een blauwe jurk aan die tot op de enkels rijkt. Ik krijg van Frisk ook nog een lange rode cape. We laten alle moderne apparatuur achter in het ruimteschip. Frisk hangt een zwaard aan zijn riem. Via een poortje komen we in het natuurstenen gebouw van de ruimtehaven. Een wachter met een lange lans staat ons op te wachten.
‘Namen?’ bromt hij.
‘Frisk et Sforistic en Prs. Angel de Tragon,’ zegt Frisk.
De wachter kijkt mij met grote ogen aan, dan maakt hij een buiging.
Daarna gaat hij naar een vertrekje en brult wat bevelen.
Na een half uurtje staat buiten een koets klaar met twee van die loopdieren ervoor waar Frisk op zat.
Het landschap waar we doorrijden is adembenemend mooi, bossen waaruit grote rotsen steken, met op de achtergrond een gebergte. Hier en daar akkers met een boerderijtje. We rijden door een ommuurd stadje met natuurstenen huizen met rieten daken. Het lijkt wel of we door een geschiedenisboek rijden.
We naderen een grote stad, ik herken het van de projectie in Frisk’s kamer die ik de laatste weken zo goed heb kunnen bekijken. Via een grote poort gaan we de stad binnen en dan rechtstreeks naar het kasteel. Daar stappen we uit de koets en gaan door een lange gang, twee enorme deuren geven toegang tot een grote zaal, aan het eind zit op een verhoging een oudere vrouw op een troon. Rechts naast haar staat een man van een jaar of veertig. We lopen tot vlak voor de verhoging.
‘Frisk,’ roept de vrouw verheugd, ze staat op loopt naar beneden en omhelst hem.
Dat is dus zijn moeder, is zij keizerin? Ze zit wel op de troon, is zij misschien met mijn vader getrouwd geweest? Waarom heeft hij dat niet verteld?
‘Dus jij bent Prs Angel,’ zegt de vrouw, ze heeft lang zwart haar, een scherp bleek gezicht en is een stuk groter dan ik. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Frisk en net zo kil als die van hem vroeger. Ze bekijkt me van onder tot boven.
‘En jij wilt keizerin worden?’
‘Eh nou, dat weet ik niet.’
Ze kijkt verrast en glimlacht dan. ‘O.’
‘Frisk heeft mij eh meegenomen, ik wist helemaal niet dat ik prinses was en ik weet ook niet of ik keizerin wil worden, het liefst ga ik weer terug naar huis.’
Frisk komt naast zijn moeder staan. ‘Dat is toch goed nieuws moeder. Ginger ondertekent een document dat zij afstand doet en jij bent dan officieel keizerin, dat is toch wat je wou? En dan breng ik haar terug.’
Zijn moeder glimlacht. ‘Zo eenvoudig ligt het niet, lieve jongen, het is niet alleen haar voorrecht dat ze keizerin wordt, ook haar plicht of eh Ginger nu wil of niet.’
‘Dus dan wordt ze keizerin? Maar jij wou toch zelf keizerin worden. Ik moest haar hier naartoe halen zodat zij officieel afstand kon doen.’
O, dus dat was de reden dat hij af en toe zo bedenkelijk keek. Ik moest alleen wat ondertekenen en dan weer ophoepelen. Is hij toch een eikel.
‘Als dat had gekund zou dat mooi zijn geweest.’
‘Maar waarom moest ik haar dan ophalen?’
‘Pas als ze officieel is overleden, kan ik keizerin worden.’
De ogen van Frisk worden groot. ‘Wil je haar doden? Moest ik haar hierheen brengen zodat jij haar kan vermoorden?’
Zijn moeder glimlacht weer. ‘Vermoorden, dat is zo’n akelig woord. Ze kan een ongeluk krijgen of ziek worden.’
‘Dat gaat niet gebeuren,’ zegt Frisk woest. ‘Als haar ook maar iets overkomt, krijg je met mij te maken.’
Zijn moeder kijkt naar hem en dan naar mij. ‘Je bent toch niet verliefd op haar?’
‘En wat als dat wel zo is?’ Frisk kijkt zijn moeder uitdagend aan.
De man die naast de troon stond komt naar beneden, hij heeft kort blond haar koele grijze ogen en een ringbaardje. ‘Regentes Fidona, kan ik u even spreken?’
‘Goed.’ Ze lopen de verhoging op, Frisks moeder gaat zitten en de man begint fluisterend tegen haar te praten.
‘Waarom heb je niet verteld dat je mijn stiefbroer bent?’
‘Ik schaamde me, nou ja eerst niet, maar toen had ik geen behoefte om het je te vertellen. Je tekent een document en ik zou je weer terug brengen. Klaar. Maar later toen ik je leuk begon te vinden schaamde ik me ervoor.’
‘Het is ook een rotstreek.’
Frisk wendt zich af en kijkt met een donkere blik voor zich uit.
Zijn moeder komt weer naar beneden. ‘Meester Kasper heeft mij nog een andere methode aan de hand gedaan hoe we dit kunnen oplossen.’
‘En dat is?’
‘Een godsgericht.’
‘Een godsgericht? Wat is dat?’ vraagt Frisk.
‘Als twee personen een goede reden hebben om keizer te worden, dan laten we god beslissen.’
‘O en hoe doen we dat?’
‘Een duel, de winnaar wordt keizer of keizerin.’
‘Wou jij met Ginger vechten?’ vraagt Frisk ongelovig.
Zijn moeder glimlacht. ‘Daar ben ik te oud voor, in plaats van mijzelf kan ik ook een direct familielid aanwijzen om voor mij te vechten.’
Frisk kijkt haar aan alsof ze net veranderd is in een heks. ‘Ik moet met Ginger vechten?’
‘Ja.’
Hij lacht schamper. ‘Je denkt toch niet dat ik dat ga doen?’
‘Je zal wel moeten, het duel gaat door tot een van jullie dood is.’
‘En als we weigeren te vechten?’
‘Dan worden jullie beiden gedood.’
Frisk kijkt zijn moeder verbijsterd aan ‘En dan word jij keizerin?’
‘Ja.’
De dag van het gevecht zit ik alleen op de kamer met het enorme hemelbed waarin ze mij hebben opgesloten. Ik ben hier nu een week, Frisk heb ik al die tijd niet gezien. Hij werd ontzettend kwaad en wou zijn moeder aanvliegen, een tiental wachters waren nodig om hem in bedwang te houden. Hij zit een eindje verderop opgesloten in een kamer. Edelen uit het hele keizerrijk zijn uitgenodigd om het duel bij te wonen. Natuurlijk heb ik geen schijn van kans. Ik laat mij gewoon doodsteken, behalve Tilda is er toch niet echt iemand die mij vreselijk zal missen. Ja Frisk. Zelfs al zou ik van hem kunnen winnen dan kan ik hem nog niet doden. Ik heb een strakke broek aan en een strakke wambuis zodat ik mij goed kan bewegen. Mijn zwaard krijg ik pas vlak voor het duel. Twee wachters komen mij halen, tussen hen in loop ik door het kasteel naar de binnenplaats. Er staan tribunes bevolkt door een kleurrijke menigte. Overal hangen banieren met afbeeldingen van vervaarlijke roofdieren met en zonder vleugels. Frisk staat al klaar voor de ingang van de arena. Ik ga zwijgend naast hem staan en krijg een zwaard. Frisk heeft zijn zwaard al. Tegenover ons aan de andere kant van de arena staan kooien met dworks, roofdieren met lange tanden en klauwen die worden losgelaten als we beiden na een kwartier nog leven. Ook leuk voor het publiek. Frisk kijkt strak voor zich uit, de kaken op elkaar geklemd. Ik voel me helemaal leeg, ik wil niets meer, ik wil hier niet blijven, ik wil niet meer terug, eigenlijk wil ik alleen maar dood. Dat gaat heel binnenkort gebeuren. Er klinkt een hoorn, het hek voor ons gaat open en we lopen naar binnen. Een gejuich stijgt op, maar niet iedereen juicht ik zie ook blikken vol medelijden, voornamelijk van mensen die naar mij kijken. Twee soldaten met lange speren staan in het midden. We gaan tegenover elkaar staan, de speren tussen ons in. Frisk trekt zijn zwaard. Iemand houdt een toespraak, ik hoor regentes en zoon en keizerin, maar volg het verder niet.
‘Doe het snel,’ zeg ik tegen Frisk.
Frisk knikt.
Er klinkt een hoorn en de soldaten stappen opzij.
‘Steek je zwaard naar voren,’ zegt Frisk. Ik doe wat hij zegt, dan kan hij het opzij slaan en mij steken. Maar dat doet hij niet, hij springt naar voren, ik kan het zwaard nog net wegtrekken. Hij valt tegen mij aan en we belanden op de grond. Ik laat mijn zwaard los en doe mijn armen om hem heen. Ik kus hem en voel tranen op mijn wangen.
‘Ik kan je niet doodmaken,’ snikt hij.
‘Je moet,’ zeg ik. ‘Als ik win, denk je dan dat je moeder mij laat leven? Het maakt voor mij niets uit of ik nu dood ga of later.’
Vanaf de tribunes klinkt gejoel, het gevecht loopt iets anders dan het publiek had verwacht. Maar hier en daar klinkt ook applaus.
We krabbelen overeind.
‘Maak haar af,’ hoor ik ineens een de schrille stem van Fidona boven alles uit.
Frisk en ik kijken elkaar aan.
‘Wij moeten elkaar doodmaken,’ roep ik luid. Het publiek wordt stil. ‘We moeten elkaar doodmaken, maar dat kunnen we niet, we houden van elkaar. Ik moet hem doden om keizerin te worden en hij moet mij doden zodat zijn moeder keizerin kan worden. Maar ik hou van hem, ik kan hem niet doden’ ik pak de hand van Frisk, ‘en hij houdt van mij.’ Hier en daar komen zakdoekjes tevoorschijn. ‘Van regentes Fidona moeten we vechten tot een van ons is gestorven of als we dat niet doen, dan moeten we maar beiden sterven. Dan kan zij keizerin worden. Dat is het liefste wat ze wil, zelfs al moet haar eigen zoon daarvoor sterven.’
‘Laat de dworks los,’ schreeuwt Fidona. De soldaten bij de kooien aarzelen.
Op de tribunes klinkt gemor. ‘Willen jullie een keizerin die haar eigen zoon opoffert om zelf keizerin te kunnen worden?’ roep ik.
Een vrouw gaat staan. ‘Wij willen geen monster als keizerin,’ roept ze. Ze oogst bijval.
‘Laat de dworks los,’ krijst Fidona. Een soldaat trekt een grendel van een kooi los. Er klinkt een storm van protest van de tribunes. De dwork rent de arena in. Hij is zo groot als een paard, zijn wijd opengesperde bek zit vol puntige tanden, de voorste poten zijn voorzien van grote klauwen, hij is bezet met stekelige schubben. Kleine rode ogen loeren naar ons. Zijn massieve staart zwiept heen en weer. Frisk grijpt onze zwaarden en gaat voor mij staan, een zwaard in elke hand.
‘Achteruit,’ gromt hij. Ik stap naar achteren. Het monster sluipt op hem af. Frisk gaat met een been naar voren staan, een zwaard zwaait hij heen en weer voor de ogen van de dwork, die haalt uit met een klauw. Frisk steekt pijlsnel het andere zwaard in de poot en springt achteruit. Het zwaard blijft steken in de poot. De dwork slaat met zijn poot en het zwaard vliegt door de lucht. Het komt vlak bij mij terecht. Ik raap het op. Bloed spuit uit de poot. De dwork brult, hij kromt zijn rug.
De dwork springt, Frisk duikt naar voren draait zich om en steekt zijn zwaard in de buik van de dwork. Het monster brult en rolt over hem heen. Het zwaard blijft in de buik steken. Frisk staat snel op maar krijgt een zware klap van de staart van het beest, hij valt en blijft versuft op de grond liggen. De dwork draait zich om en duikt ineen om zich op hem te storten. Ik ren naar hem toe spring op zijn rug en ram staand met beide handen het zwaard in zijn nek. Het monster brult nog een keer en zakt dan in elkaar. Een stormachtig applaus daalt op ons neer vanaf de tribunes.
Twee weken later loop ik naar het gebouwtje van de ruimtehaven. Ik voel me leeg van binnen. Ik heb net mijn moeder naar haar kasteel in het afgelegen Valdon gebracht. Ze mag het kasteel nooit meer verlaten. Mijn ruimteschip is geladen met smirtz, de zeldzame delfstof die in kleine hoeveelheden hier op Ravan wordt gevonden en waarvan batterijen gemaakt kunnen worden die maanden meegaan zonder opgeladen te hoeven worden. Dat ga ik naar Dwarplan brengen en vandaar zien we wel weer verder. Ginger heb ik nauwelijks meer gezien. De raad van edellieden was het er snel over eens dat zij keizerin moest worden. Haar toespraak en haar dappere gedrag hebben veel indruk gemaakt. Volgende week wordt ze gekroond. Ze vroeg of ik bij haar wilde blijven maar ik heb mijn buik vol van Ravan, hoezeer ik ook van haar hou, ik wil hier niet blijven. Ik ben weggegaan zonder afscheid te nemen. Afscheid nemen van haar zal mij niet lukken, dan zou ik toch blijven en ongelukkig worden.
Het gebouw is vrijwel leeg. In een hoekje zit met de voeten op een stoel en het hoofd op de knieën iemand gekleed in een ruime broek en wambuis, de capuchon over het hoofd. Ik loop langs de gebogen gestalte naar de ingang van het terrein waar mijn ruimteschip staat.
‘Zomaar,’ hoor ik ineens achter mij. ‘zomaar, zonder afscheid te nemen. Zonder mij te vragen wat ik wil. Je wou zomaar vertrekken en mij hier alleen achter laten.’
Ik draai me om, Ginger kijkt me aan met glinsterende ogen. Als ik haar zie weet ik meteen dat ik niet kan weggaan. Ik loop naar haar toe, til haar op en sla mijn armen om haar heen.
‘Laat me los,’ zegt ze huilend, ze slaat op mijn schouders en rug. ‘Laat me los.’ Dat doe ik niet, ik druk haar nog steviger tegen mij aan.
‘Het spijt me,’ zeg ik. ‘Ik kon niet afscheid van je nemen.’ Ze duwt zich naar achteren zodat ze mij kan aankijken, maar ze heeft wel haar benen om mij heen geslagen.
‘En dan ga je maar zomaar weg.’
‘Ik ben een lafbek,’ zeg ik. ‘Maar ik wil geen keizer worden, ik wil reizen door de ruimte.’
‘En ik wil met je mee.’
‘Echt?’ zeg ik verbaasd.
‘Ja natuurlijk, waarom dacht je dat ik keizerin wilde worden?’
‘Nou iedereen was zo enthousiast over jou en…’
‘Reizen door de ruimte lijkt mij veel leuker dan keizerin zijn en zeker met jou erbij.’
Ik kus haar lang dan laat ik haar op de grond zakken en pak haar hand.
‘Kom,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt ze.
‘Hoe wist je eigenlijk dat ik stiekem weg wilde gaan?’
‘Nou, dat was gemakkelijk,’ zegt ze, ‘toen je…’ We lopen het ruimteschip in.
Even later schieten we door de dampkring.
Een reactie op dit verhaal wordt erg op prijs gesteld.
Plaats een reactie