Tweeëneenhalve meter voor mijn voeten zie ik de vis in het ondiepe water liggen. Met ingehouden adem schuif ik mijn linkervoet naar voren, de vis blijft liggen. Ik hef behoedzaam mijn speer en steek toe met alle kracht die ik heb. Raak, net achter zijn kop, ik voel de vis spartelen, duik naar beneden en grijp hem met twee handen vast, til de wild spartelende vis uit het water en druk hem tegen mijn kletsnatte hemd aan.
‘Mooie vangst,’ hoor ik iemand roepen.
Van schrik laat ik de vis bijna vallen, ik draai mij snel om. Op het strand, vlak naast mijn bundeltje kleren en mijn pulsgeweer, staat een man op een zwarte motoglijder.
Wat moet ik doen? Ik kan niet blijven staan. Met kloppend hart waad ik door het ondiepe water naar het strand. De man draagt een zwarte broek en een zwart leren jasje, op zijn heup hangt een pulspistool, aan de glijder zit een hoes met daarin een pulsgeweer. De glijder heeft een hoog stuur, als hij daarop zit moet hij met gestrekte armen sturen. Macho en patserig zijn de woorden die in mij opkomen. De man heeft lang donker haar en als ik dichterbij kom zie ik dat hij helblauwe ogen heeft. En hij is jong, niet veel ouder dan ik.
Ik loop naar mijn kleren, gooi de vis op het strand en trek de speer eruit. De man kijkt naar mijn gezicht, maar zegt niets. Zijn blik daalt naar mijn borsten.
‘Koud zeker?’ zegt hij met een grijns.
‘Ja, als je je omdraait kan ik mij aankleden,’ zeg ik, mijn stem is schor van spanning.
Hij lacht. ‘Oké,’ zegt hij. Hij keert de glijder. Opgelucht draai ik mij om, trek mijn natte hemd uit en doe mijn vest met bont en mijn leren broek aan, daarna pak ik mijn geweer.
‘Kan ik mij weer omdraaien?’ vraagt de man.
‘Ja hoor,’ zeg ik en richt het geweer op zijn borst.
‘Ho, ho,’ zegt hij met zijn handen afwerend voor zich. ‘Ga je me doodschieten?’
‘Niet als je weggaat.’
‘Ga je die vis alleen opeten?’
‘Dat gaat je niet aan.’
‘Hij is veel te groot voor jou alleen, dat is toch zonde,’ zegt hij. ‘En eh, ik heb honger.’
Ik aarzel, hij heeft een prettig gezicht, nou ja prettig, hij is gewoon heel knap, een baardje van een paar dagen die zijn stevige kin verzacht, een rechte neus en een brede mond met volle lippen. Zijn opvallend blauwe ogen kijken opgewekt de wereld in. Hij lijkt zich totaal geen zorgen te maken over het geweer dat op hem gericht is.
‘Ik weet niet of ik jou wel kan vertrouwen,’ zeg ik.
‘Oké,’ zegt hij. Hij maakt zijn riem los en gooit hem met het pulspistool voor mijn voeten. Ik aarzel nog steeds. ‘Alsjeblieft?’ zegt hij. ‘Ik heb echt honger.’ Hij kijkt mij smekend aan, tegelijkertijd heeft zijn gezicht iets guitigs. Ik ga door de knieën.
‘Goed,’ zeg ik. ‘Maar alleen eten en dan wegwezen.’
‘Prima,’ zegt hij. ‘ Zal ik de vis meenemen?’ Hij wacht mijn antwoord niet af, stapt van de glijder, pakt de vis en legt hem voor op de batterij. Hij stapt weer op. ‘Je kan wel achterop,’ zegt hij.
Dit gaat wel erg snel, maar aan de andere kant lijkt een ritje op zo’n glijder mij wel leuk, ik heb nog nooit op zo’n ding gezeten. Ik doe de riem met het pulspistool om, hang het pulsgeweer op mijn rug, pak mijn hemd en speer en ga achter hem zitten. Aan de zijkanten van de glijder hangen twee grote tassen. Daar zit ik redelijk comfortabel tussen, wel tegen hem aan, maar echt onplezierig vind ik dat niet.
‘Welke kant op,’ vraagt hij. Ik wijs. We glijden op dertig centimeter hoogte over het brede strand, na een paar minuten gaan we de duinen in. De glijder gaat er soepel overheen. Net voorbij de duinen staat mijn hut.
‘Woon je hier?’ vraagt hij terwijl hij de hut bekijkt.
‘Ja,’ zeg ik en stap van de glijder. Mijn hut staat op palen die al erg oud zijn, zeshonderd jaar minstens, nog van voor de Eindoorlog. Ze lijken van hout maar het is een soort kunststof. Daarop heeft mijn vader een plateau gemaakt van boomstammen en daar weer op staat een blokhut, twee meter boven de grond. Het geeft mij een veilig gevoel.
Hij stapt ook af, hij is lang maar net niet lang genoeg, een beetje kleiner dan ik, ik ben een meter negentig. Hij is goed gebouwd constateer ik, brede schouders, smalle heupen, lekker kontje.
‘Mooi plekje,’ zegt hij. Dat is ook zo, de hut staat tussen de duinen en het bos. Erg beschut maar toch met open ruimte richting het bos. Hij steekt zijn hand uit.
‘Ik ben Kay,’ zegt hij. Even aarzel ik, maar dan pak ik zijn hand.
‘Jessie.’
‘Van Jessica?’
‘Ja,’ zeg ik onwillig, ik hou niet van die naam, die riekt naar jurkjes en make-up en dat soort toestanden.
Kay bekijkt het haveloze bordje dat aan de voorste paal hangt. ‘Beachclub Valentijn.’
‘Ik denk dat het vroeger op het strand stond,’ zeg ik. ‘Maar in de loop van de tijd zijn de duinen verschoven.’
‘En Valentijn?’
‘Geen idee.’ Ik weet dat het iets met liefde te maken heeft, maar daar wil ik nu niet over beginnen.
Twee uur later zitten we op de veranda voor de hut en kijken uit over het gebied tussen duin en bos. De zon zakt al flink, maar de temperatuur is nog aangenaam, helemaal nu de wind weg is. De vis smaakte goed en ik voel me op mijn gemak. Kay is leuk gezelschap, hij is goedlachs en vrolijk. Ik vind hem aardig.
‘Hoe kom je eigenlijk aan dat litteken?’ vraagt hij.
Automatisch gaat mijn hand naar het rafelige litteken op mijn gezicht, het loopt van mijn linkeroor naar mijn kin. Ik voel dat er tranen in mijn ogen komen, dat wil ik helemaal niet.
‘Wat is er?’ zegt hij vol medeleven en legt zijn hand op mijn bovenbeen. ‘Je hoeft het niet te vertellen hoor.’
‘Wij woonden vroeger op een boerderijtje,’ begin ik. ‘Op een dag was mijn vader weg naar het dorp in de buurt. Ik was toen vier jaar. Er kwamen drie mannen, ze hadden net zulke glijders als jij. Het waren bandieten. Ze doorzochten de boerderij en toen hebben ze mijn moeder in de schuur…, een man lag op haar, ze schreeuwde en huilde. Ik rende naar haar toe, maar de man gaf mij een harde duw, ik viel tegen de ploeg en raakte bewusteloos. Toen ik weer bijkwam hield mijn vader mij in zijn armen. De boerderij stond in brand. Mijn moeder was dood.’
‘Wat vreselijk,’ zegt Kay met afschuw in zijn stem. Hij kijkt me aan. ‘Eh, is dat alles wat je nog van je moeder weet?’
Ik glimlach flauwtjes. ‘Nee, ik weet nog dat ze lang was, langer dan mijn vader en ze was mooi en blond.’
‘Jij lijkt dus op haar.’
Zegt hij nu dat hij mij mooi vindt? ‘Ja, alleen had zij geen litteken.’
‘Ik vind het niet lelijk,’ zegt Kay, terwijl hij mijn gezicht zorgvuldig bekijkt.
‘Dat zeg je alleen maar omdat je het sneu voor mij vindt.’
‘Nee,’ zegt Kay. ‘Het maakt je gezicht interessant.’
Ik vraag me af of hij dat echt meent. Ik realiseer me dat ik hem lief vind, een lieve jongen. ‘Mijn vader is met mij vertrokken en we zijn hier gaan wonen.’
‘Waar is je vader?’
‘Twee jaar geleden werd hij ziek, na een week overleed hij.’
‘Wat erg,’ zegt Kay.
Er valt een stilte. ‘Eh, hoe zit het met jouw ouders?’
‘Die leven beide nog,’ het klinkt alsof hij zich verontschuldigt.
‘Wat doen ze?’
‘Oh, mijn vader beheert een landgoed en mijn moeder helpt hem daarbij.’ Dat klinkt duur, ik had hem al een beetje geplaatst in de categorie rijkeluiszoontjes.
‘En jij?’ vraag ik.
‘Ik vang boeven.’
‘Je ziet er niet uit als een politieagent.’
‘Nou nee, ik ben particulier, ik vang misdadigers waar een beloning op staat.’
‘Dat klinkt gevaarlijk.’
‘Valt mee,’ zegt Kay luchtig. Hoeveel boeven heeft hij dan al gevangen? De glijder en zijn kleren zien er nieuw uit. ‘Eigenlijk ben ik nu onderweg naar zo’n misdadiger.’
‘Oh.’
‘Ja, Ryon Raas.’
Wat? Ryon Raas is de leider van een beruchte bende. Ze overvallen complete dorpen, roven, moorden en zitten in mensen- en drugshandel. ‘Je bent gek.’
Kay kijkt beledigd. ‘Denk je dat het mij niet lukt?’
Dat denk ik ja. ‘Ik had je daarstraks op het strand dood kunnen schieten,’ zeg ik, ‘en als ik dat kan…’
‘Ik wist wel dat je dat niet zou doen,’ zegt hij met een superieur glimlachje. Heel irritant. Hij staat op. ‘Ik ga maar eens.’
‘Goed,’ zeg ik. Ik geef hem zijn riem met het pulspistool terug. Het begint nu echt donker te worden. ‘Eh, je kan hier vannacht wel blijven slapen als je wilt,’ zeg ik. Is dat verstandig?
Hij kijkt me verrast aan. ‘Oké, dat is fijn, ik had al niet zoveel zin meer om verder te gaan.’
De volgende morgen ontbijten we met zelfgebakken brood en thee. Ik heb niet veel geslapen, de gedachte dat Kay een eindje verderop lag, hield me uit mijn slaap. Hij heeft niet geprobeerd om mij te versieren, netjes van hem, misschien wel te netjes. Ach, hij vindt mij natuurlijk te lang, te dun en te lelijk met dat litteken en zo.
We zeggen niet veel, maar ik zie wel dat hij er ook ’s morgens vroeg nog heel goed uitziet. Na het eten staat hij op.
‘Ik ga,’ zegt hij.
Ik loop met hem mee naar beneden. Hij stopt zijn spullen in de tassen van de glijder.
‘Ik zie je vast nog wel eens,’ zegt hij.
‘Ja,’ zeg ik en kan een zucht nog net inhouden.
Hij doet een stap naar voren zodat hij bijna tegen mij aan staat.
‘Bedankt,’ zegt Kay. Hij rekt zich uit en geeft mij een kus op mijn lippen.
Even sta ik perplex. Kay stapt op de glijder, geeft mij een knipoog en glijdt weg.
‘Wees voorzichtig,’ roep ik hem achterna.
De dagen daarna denk ik vaak aan hem. Vond hij me nu leuk of niet? Ik zal het nooit weten. Vaker dan anders ga ik naar het strand. Zand en zee, verder niets. In de hut heb ik een grote spiegel. Ik bekijk mezelf kritisch. Ik ben te lang, maar ik heb wel borsten, niet hele grote, zeker niet voor mijn lengte, maar ze zijn wel stevig. En ik heb een taille, ronde heupen, lange benen en mijn kont is oké. Helemaal lelijk ben ik niet. Alleen dat litteken, als ik mijn lange blonde haar ervoor hang dan gaat het wel, maar… Ik zucht, ach wat maakt het uit, ik zie hem toch nooit meer.
Vier nachten nadat Kay is vertrokken wordt er op de deur gebonkt.
‘Jessie, doe open,’ hoor ik iemand roepen. Is dat… Ik doe het licht aan, pak mijn geweer, haal de grendel weg, open de deur en doe een stap achteruit. Voor de deur ligt Kay. Hij is gewond, zijn jas is gescheurd, zijn schouder bloedt, ook op de achterkant van zijn broek zie ik bloed. Hij tilt zijn hoofd op, dat ook onder het bloed zit.
‘Help me,’ kreunt hij.
Twee uur later slaapt Kay, hij had wonden aan zijn hoofd, schouder en bil. Ik heb ze verbonden, de wond op zijn kont heb ik gehecht. Ik heb hem pijnstillers gegeven en toen is hij in slaap gevallen. Verder kan ik niets doen, ik probeer ook maar wat te slapen.
Dat is uiteindelijk gelukt want het is buiten al licht als ik wakker wordt. Kay slaapt nog steeds, zijn ademhaling is rustiger en dieper. Ik ga op het bed zitten en strijk zijn haar naar achteren, dan opent hij zijn ogen. Hij glimlacht flauwtjes.
‘Dag Jessie.’
‘Dag Kay, hoe is het?’ Hij ziet er iets beter uit al is hij wel erg bleek.
‘Goed,’ zegt Kay. Ja vast.
‘Wil je ook wat eten?’
‘Ik heb dorst,’ zegt hij.
Ik haal water, hij gaat moeizaam zitten en ik geef hem een paar slokjes. Dan zakt hij weer achterover.
‘Mijn kont doet zeer,’ zegt hij.
Ik glimlach, ‘ik heb hem gehecht.’
‘Wel een beetje netjes hoop ik,’ zegt Kay.
‘Ja hoor, hij ziet er nog steeds goed uit.’
Kay grijnst. ‘Nog steeds?’
Ik voel dat ik een kleur krijg. Zijn grijns wordt nog breder. Dan verandert de uitdrukking op zijn gezicht.
‘Ze zitten achter mij aan,’ zegt hij. ‘Ik moet hier weg.’
‘Wat? wie?’ vraag ik.
‘Ryon Raas en zijn mannen, ik heb zijn broer gedood.’
‘O.’
‘Ik dacht dat hij Ryon was, ik schoot hem neer in een dorp, een man zei dat het zijn broer was. Er waren meer bendeleden. Ze schoten op mij, ik werd geraakt maar toch kon ik ontsnappen. Ik weet zeker dat ze naar mij op zoek zijn. Als ze me hier vinden dan zullen ze jou ook… Ik moet hier weg.’ Dat is dus onmogelijk, hij kan niet reizen in deze toestand.
‘Jij kan hier nog niet weg,’ zeg ik. ‘Ik verstop je glijder en zeg dat er niemand is als ze komen.’
‘En waar moet ik me verstoppen? Onder de dekens?’ zegt hij smalend. ‘Ze gaan hier de boel doorzoeken en zelfs als ze niets vinden dan zullen ze jou… Het zijn gore smeerlappen.’
‘Dat gaan ze dus toch wel doen of jij er nu bent of niet. Jij kan in ieder geval nog niet weg,’ zeg ik beslist. Ik sta op.
‘Jessie, het spijt me,’ zegt Kay.
‘Geeft niet,’ mompel ik en ga naar buiten, ik verstop de glijder een eind verderop in een bosje.
Die dag blijf ik bij Kay, hij is nog erg zwak, ik denk door bloedverlies, want zijn wonden vallen mee. Ik heb mijn geweer naast de deur staan. Kay heeft zijn pistool naast zich liggen. Hij is duidelijk nerveus. De dag verloopt zonder incidenten. Aan het eind van de dag is Kay zover opgeknapt dat hij weer wat kan lopen.
We gaan vroeg slapen, we hebben besloten morgenochtend te vertrekken, Kay wil dat ik met hem meega. Als hij gaat liggen slaakt hij een kreet. Ik ga snel naar hem toe.
‘Wat is er?’ vraag ik bezorgd.
‘Niets,’ zegt hij olijk. ‘Nou ja, ik wil een nachtzoentje.’
Mijn hart maakt een sprongetje. Ik kijk hem hoofdschuddend aan, dan buig ik voorover en geef hem een snelle kus op zijn lippen. Dat is tenminste mijn bedoeling, maar hij slaat een arm om mij heen en drukt mij tegen zich aan. De kus wordt veel langer dan ik van plan was, maar vervelend vind ik dat niet.
De volgende morgen is Kay een stuk fitter. Ik ga naar buiten om zijn glijder op te halen. Hoe eerder we vertrekken hoe beter. Ondanks mijn ongerustheid ben ik ook vrolijk. Die kus van gisteravond…. ik heb dingen gevoeld die ik nog nooit eerder heb gevoeld. Hij vindt mij leuk, toch? Of was het een kus uit dankbaarheid, omdat ik hem gered heb? Ik weet het niet, maar er huppelt iets in mijn buik. Ik ga het bosje in waar ik de glijder heb verstopt. Ik start hem en loop met het ding het bosje uit. Meteen stap ik terug, een grote groep glijders, wel twintig, komen over de duinen in de richting van mijn hut. Machteloos moet ik toezien hoe ze Kay uit de hut halen, ze smijten hem van de trap naar beneden. Ik heb alleen zijn pistool bij me, ik kan niets doen. Ze zetten hem achterop een moto. Een man heeft een fles met een brandende lap stof in zijn hand, een molotovcocktail. Hij gooit de fles naar binnen. Als de hut in brand staat, vertrekken ze. Met een brok in mijn keel kijk ik toe hoe alles wat ik bezit in vlammen opgaat. Na nog tien minuten loop ik voorzichtig naar de hut. Als ik er ben stort hij in, het plateau valt en de hut brandt uit tussen de palen. Wezenloos sta ik toe te kijken hoe zelfs het bordje met ‘Beachclub Valentijn’ vlam vat en opbrandt. De tranen lopen over mijn wangen, wat moet ik nu? Ik zak op de grond ineen en staar naar de brandende resten. Dan verman ik mijzelf, ik leef nog. En Kay? Ik moet hem redden. Zonder verder na te denken sta ik op en loop naar het bosje waar de glijder staat. Ik pak de glijder, stap op en vertrek. Behoedzaam glijd ik tussen de duinen door.
Het spoor van de bende is eenvoudig te volgen. Op het strand zie ik dat ze naar het noorden zijn gegaan. Na een uur of vijf verlaat het spoor het strand en gaat een weg op die het binnenland in leidt. Het terrein wordt ruwer, rotsformaties doemen op.
Dan zie ik een dorpje, de weg gaat er dwars doorheen. Ik heb geen andere optie dan erdoor te rijden. Op het plein midden in het dorp staan twee mannen. Ze dragen pulspistolen en staan bij een grote busglijder die de weg versperd. Een groepje vrouwen stapt in de glijder. Een van de twee mannen komt naar mij toe. Hij is groot en dik.
‘Jij kan ook wel mee,’ zegt hij.
‘Zij?’ zegt de andere smalend, kleiner, ook dik. ‘Zo’n lange dunne en heb je dat litteken gezien?’
‘Ryan is gek op lange vrouwen.’ Ryan?
‘Mmm,’ zegt de kleine.
‘Waarom zou ik meegaan?’ zeg ik.
‘We hebben een feestje,’ zegt de grote. ‘Je krijgt tweehonderd Zloty voor een nacht werk.’ Lekker werk denk ik, maar dit is wel een kans om in de buurt van Kay te komen.
‘Oké,’ zeg ik.
Ik moet mijn pulspistool afgeven en stap ook in de glijder. De vrouwen kijken bepaald niet vrolijk, het is duidelijk dat ze alleen meegaan voor het geld.
Naast mij zit een kleine vrouw van een jaar of dertig.
‘Ben je daar wel eens vaker geweest?’ vraag ik.
Ze kijkt me somber aan. ‘Ja,’ zegt ze.
‘Hoe is het daar?’
Ze zucht, ‘een zootje, het zijn beesten, maar het geld is goed.’
‘O,’ zeg ik.
‘Morgen moet je je goed wassen,’ zegt ze, ‘en er niet meer aan denken.’
Na een half uur komen we bij een soort fort. Op een rots staat een groot gebouw omringd door dikke muren. We glijden door een poort en stappen uit op het binnenplein. We gaan het donkere gebouw in en komen in een grote ruimte. De vloer, de wanden en het plafond zijn gemaakt van grauwe stenen. Langs de wanden staan rekken met jurken.
‘Je moet je verkleden,’ zegt Frida, de vrouw die naast mij zat.
Ik bekijk de jurken, ze zijn duidelijk meer bedoeld om te laten zien dan om te bedekken. Het valt niet mee eentje te vinden die niet halverwege mijn kont eindigt. Uiteindelijk kies ik voor een lange jurk met splitten op de zijkant die zo’n beetje ophouden waar mijn borsten beginnen. Volgens Frida moet ik make up op. Ik heb daar geen ervaring mee, maar zij helpt mij. Als ik klaar ben ga ik voor een spiegel staan, lipstick en opgemaakte ogen, ik voel me net zo op mijn gemak als een konijn die per ongeluk een vossenhol is binnengegaan.
We worden opgehaald en naar een grote zaal gebracht. In de zaal staan twee lange houten tafels. Aan beide zijden van die tafels zitten mannen op houten banken. Dwars daarop staat een kleinere tafel. Daar zitten mannen op grote stoelen. Ze fluiten en joelen als wij binnenkomen. Wat mij de adem beneemt is het bouwsel in de rechterachterhoek, een staander met daarboven een dwarsbalk. Met zijn handen vastgebonden aan de dwarsbalk staat Kay. Zijn bovenlijf is bloot. Over zijn borst en buik lopen grote bloedige striemen. Zijn hoofd hangt voorover. Leeft hij nog wel? Ik wil naar hem toe maar… Ik slik en verman mijzelf. Ik moet de mannen bedienen die aan de dwarstafel zitten. In het midden van die tafel staat een soort troon, daarop zit een man van gemiddelde lengte. Zijn haargrens is hoog, het haar dat hij nog heeft draagt hij in een staartje. Wat meteen opvalt is zijn indringende blik. Zijn kille grijze ogen lijken dwars door je heen te gaan. Ik heb het gevoel dat ik die ogen eerder heb gezien. Terwijl ik de mannen aan de tafel voorzie van eten en drinken en moet toestaan dat hun handen zowat elk onderdeel van mijn lijf betasten, zie ik die indringende blik meermaals op mij gericht. Hij zegt weinig, maar de mannen behandelen hem met respect. Dit is vast Ryon Raas.
Na twee uur, terwijl de mannen steeds luidruchtiger worden en de vrouwen steeds grover betasten, staat hij op. Meteen wordt het muisstil.
‘Mannen,’ zegt hij. ‘Wij hebben een grote slag geslagen, we hebben de zoon van graaf Kylan gevangen.’ De zoon van graaf Kylan, bedoelt hij Kay? Ik kijk naar Kay. Hij doet zijn hoofd omhoog, hij leeft gelukkig nog. Hij ziet mij en zijn ogen worden groot van verbazing.
‘Een vangst die ons heel wat gaat opleveren, voor zijn vrijheid zal de graaf flink moeten betalen. En hoeveel hij ook betaalt, het is altijd te weinig. Hoogstens genoeg voor het bovenste stuk.’ Hij haalt zijn hand over zijn keel. De mannen lachen. ‘Wij zullen mijn broer wreken en er ook nog ontzettend veel geld mee verdienen.’ Een gejuich gaat op. Ryon heft het glas.
‘Walhalla,’ roept hij.
De mannen heffen ook hun glas en schreeuwen: ‘Walhalla.’ Geen idee wat dat is.
Dan draait Ryon zich om, hij richt zijn grijze ogen op mij. ‘Kom,’ zegt hij en loopt weg. Met een knoop in mijn maag ga ik achter hem aan. We gaan vlak langs Kay. In het voorbijgaan geeft Ryon Kay met de vlakke hand een harde klap in zijn gezicht. Die reageert niet en blijft Ryon aankijken. Ryon lacht spottend en loopt door. Ik geef Kay een knipoog, die hij beantwoordt met een blik vol zorg. Ik slik en loop verder.
We gaan de zaal uit en lopen door een donkere kille gang. Ryon opent een hoge deur en laat mij voorgaan. Dit is vast zijn vertrek, gordijnen hangen voor hoge ramen, in het midden staat een enorm hemelbed. Links staat een grote tafel, met vier stoelen. Op de tafel staan twee grote ijzeren kandelaars met kaarsen. Rechts een grote kast. Aan de muur hangen ouderwetse zwaarden, dolken en schilden. In een hoek staat zelfs een harnas, ziet deze gek zichzelf als een soort ridder?
‘Kleed je uit,’ zegt hij. Ik draai mij om en kijk hem aan. Zijn gezicht is verwrongen van lust en dan herken ik die blik. Het is dezelfde blik als in de ogen van de man die op mijn moeder lag. Hij is die man, hij heeft mijn moeder… Hij heeft mij mijn litteken bezorgd. Ik word ijzig koud van binnen.
‘Wou je dat niet liever zelf doen?’ zeg ik verleidelijk.
Hij lacht waarderend. ‘Dat is ook een idee,’ zegt hij. Hij loop naar mij toe, pakt mijn jurk en geeft er een harde ruk aan, de dunne stof scheurt en ik heb alleen nog een broekje aan. Ik doe een stap achteruit en sta nu tegen de tafel. Hij loopt naar mij toe en stopt twee vingers achter de rand van mijn broekje. Ik grijp een kandelaar en sla hem hard tegen de zijkant van zijn hoofd, hij zakt bewusteloos in elkaar.
Ik pak het pulspistool dat op zijn heup hangt. In de kast vind ik een grote trui en een wijde broek, hoewel beide te kort zijn, trek ik ze aan. Op zijn nachtkastje staat een glas water. Ik gooi het in zijn gezicht. Hij komt bij.
‘Als je precies doet wat ik zeg, kun je het overleven,’ zeg ik. Hij schudt traag zijn hoofd en staat moeizaam op. Een spottend lachje verschijnt om zijn mond.
‘Wat zou jij…’ Verder komt hij niet want ik schiet in zijn rechterschouder, hij valt achterover. Ik loop naar hem toe en richt tussen zijn ogen. Voor het eerst zie ik angst.
‘Als je niet precies doet wat ik zeg, ben je binnenkort nog doder dan je broer,’ zeg ik vlak. Ik wijs op de intercom naast de deur. ‘Laat Kay hier naartoe brengen.’ Vloekend staat hij op. Met een onbeweeglijk gezicht wijs ik naar de intercom. Hij loopt ernaartoe en geeft de orders. Ik laat hem op een stoel zitten en ga zelf bij de deur staan. Na tien minuten wordt er geklopt.
‘Laat hem binnenkomen, maar de wachters blijven buiten,’ zeg ik. Hij staat op en opent de deur, ik hou het pistool op dertig centimeter van zijn achterhoofd. Kay stapt naar binnen en Ryon doet de deur dicht. Kay zijn handen zijn op zijn rug gebonden.
‘Jessie,’ zegt hij.
‘Ik kom je bevrijden,’ zeg ik terwijl ik om mij heen kijk. Ik pak een dolk van de muur en snij de boeien van Kay door. Even let ik niet goed op Ryon, ineens krijg ik een enorme klap tegen mijn hoofd en val tegen de deur, versuft blijf ik daar zitten. Ryon heeft de dolk gepakt die ik heb laten vallen en staat tegenover Kay. In zijn andere hand heeft hij een kandelaar. Ik wil gaan staan, maar mijn benen willen niet. Mijn pistool ligt vijf meter naast mij, ik kan er absoluut niet bij. Ryon haalt uit naar Kay, maar die ontwijkt en geeft hem een schop in zijn maag. Ryon laat de kandelaar vallen en stapt achteruit. Behoedzaam stapt hij weer naar Kay, hij doet alsof hij wil schoppen, Kay wil afweren maar dan steekt Ryon hem in zijn bovenarm. Kay slaat hem met zijn andere vuist hard tegen zijn kaak. Ryon laat de dolk los en doet een wankele stap naar achteren. Kay trekt de dolk uit zijn arm, stapt snel naar voren en plant hem bij Ryon in de borst. Die kijkt verbaasd naar de dolk en zakt dan in elkaar. Kay loop naar mij toe, zijn arm bloedt.
‘Jessie, alles goed?’
‘Ja,’ zeg ik al weet ik niet zeker of ik wel tegen de juiste Kay praat, ik zie er twee. Even later wordt het beter. Ik verbind de arm van Kay met een afgesneden mouw van de tuniek van Ryon. Aan de riem van Ryon hangt een buidel met geld, die neem ik mee. Ik open de deur en roep de twee wachters binnen. Als ze binnen zijn houdt Kay ze onder schot, terwijl ik ze vastbind. Eén is even groot als Kay, die laten we zijn kleren uittrekken, Kay trekt ze aan.
Terwijl Kay mij begeleidt, loop ik als gevangene door de gangen. Op de binnenplaats staat de busglijder nog. We stappen in, Kay glijdt zonder problemen de poort uit. Voorbij het dorp neem ik de besturing over. Kay is erg zwak, de striemen en de messteek hebben hem niet beter gemaakt. Twee dagen achter elkaar glijd ik door. Kay is de meeste tijd half bewusteloos. Op het laatst begint hij te ijlen en daarna verliest hij het bewustzijn. Eindelijk kom ik bij het kasteel van graaf Kylan. Zodra de soldaten Kay zien wordt er meteen groot alarm geslagen. Ze halen de bewusteloze Kay uit de glijder en dragen hem het kasteel in. Ik wil achter hem aan gaan maar een grote wachter houdt mij tegen. Hoe ik ook praat en smeek, ik kom het kasteel niet in. Uiteindelijk geef ik het op. Wat moet ik nu doen? Met het geld van Ryon Raas koop ik kleren, gereedschap en voedsel en ga met de busglijder terug naar de hut. De palen staan er nog. Ik ga de hut weer opbouwen.
Het is bijna avond en ik zit op het strand, het is twee maanden geleden dat ik Kay terug heb gebracht. De hut is bijna klaar maar toch voel ik me verloren. Voordat ik Kay kende was ik tevreden met mijn leven hier, maar nu…
Ik kijk uit over het strand en de eindeloze zee. Ik zie links een stip verschijnen. Ik pak mijn geweer en leg hem op mijn knieën. De stip komt recht op mij af, het is een motoglijder. Als hij nog dichterbij is herken ik de berijder, het is Kay. Ik leg mijn geweer neer en sla mijn armen om mijn knieën. Twee meter naast mij stopt hij.
‘Dag Jessie,’
‘Wat kom je hier doen?’ het klinkt bitser dan ik wil.
‘Eh ik eh wou je bedanken,’ zegt hij beduusd. Is dat alles? ‘Mag ik bij je komen zitten?’
‘Ja hoor,’ zeg ik onverschillig. Hij gaat naast me zitten en kijkt over het strand.
‘Mooi hier,’ zegt hij. Ik zeg niets.
‘Bedankt,’ zegt hij. Een lange stilte volgt.
‘Ik ga trouwen,’ zegt hij. Het voelt alsof ik in een gloeiend heet ijsbad ben gesprongen. Ik word ijskoud, tegelijkertijd breekt het zweet mij aan alle kanten uit.
‘O.’ Weer volgt een stilte. Misschien moet hij wel trouwen en wil hij dat eigenlijk niet. ‘Ben je verliefd?’
‘Ja,’ zegt hij. ‘Heel erg.’
‘O.’ Ik ga met mijn hand langs mijn litteken. ‘Is ze mooi?’
‘Ja,’ zegt hij. ‘Heel mooi.’ In mijn hoofd verschijnt een beeld van een slank meisje met lang zwart haar, een gaaf gezichtje en mooie bruine ogen.
‘Wanneer ga je trouwen?’
‘Ik weet het nog niet precies, ik heb haar nog niet gevraagd.’ Hè.
‘Waarom niet?’
‘Ik ben bang dat ze misschien nee zegt.’
‘Dat doet ze vast niet.’
Kay lacht. ‘En waarom zou ze dat niet doen?’
‘Nou, jij bent knap en dapper en lief en…’ Ik stop, waar ben ik mee bezig? Mijn hoofd begint te gloeien.
‘Vind je dat?’
‘Ja,’ fluister ik terwijl het strand en de zee wazig worden.
Kay pakt mijn hand vast. ‘Jessie, wil je met me trouwen?’
Stomverbaasd kijk ik hem aan. Ik voel de tranen over mijn wangen lopen.
‘Ja,’ krijg ik eruit. ‘Ja.’
En daarna zeggen we een hele tijd niets meer.
Plaats een reactie